Begin bij het diepste stuk
De bruikbare maat van een vitrine wordt bepaald door het grootste voorwerp dat erin moet, niet door het gemiddelde. Zoek dat stuk op en meet hoogte, breedte en diepte, en tel er aan alle kanten twee centimeter bij op zodat u het er zonder schuren in kunt zetten. Bij objecten die u van een bepaalde kant wilt tonen, meet u de diepte in die stand: een modelauto die schuin staat, vraagt meer diepte dan dezelfde auto recht van voren. Wie dat nalaat, ontdekt pas bij het inruimen dat de mooiste stukken net niet passen.
Hoogte tussen de planken
Verstelbare planken zijn de belangrijkste eigenschap van een goede vitrine, en tegelijk de eigenschap waar het minst naar gekeken wordt. Kijk hoeveel standen er zijn en hoe klein de stappen daartussen: stappen van drie centimeter geven veel meer bruikbare indelingen dan stappen van tien. Reken per plank op de hoogte van het object plus minstens drie centimeter lucht erboven, anders wordt het benauwd en kunt u er niet meer bij zonder alles ervoor weg te halen.
De ruimte om de kast heen
Een kast van 90 centimeter breed met deuren die naar buiten opengaan, heeft voor de kast al gauw 60 centimeter vrije ruimte nodig. Loop de plek na met een rolmaat en let ook op wat er naast staat: een deur die tegen een radiator of een stoel aanloopt, gaat nooit helemaal open, en dan komt u niet bij de achterste plank. Schuifdeuren nemen die ruimte niet in beslag, maar geven altijd maar de helft van de kast tegelijk vrij.
Hoe groot moet hij eigenlijk zijn?
Een verzameling groeit bijna altijd. Toch is een kast die u meteen voor de helft leeg laat, zelden mooi: een halfvolle vitrine oogt onaf. Een bruikbare vuistregel is een kast die nu voor ongeveer driekwart gevuld is. Wie sneller uitbreidt, kan beter twee smalle kasten naast elkaar zetten dan een brede: de tweede kunt u later bijplaatsen en het geheel blijft in verhouding.
Vergeet de plint en de vloer niet
Twee maten worden stelselmatig over het hoofd gezien. De eerste is de plint: een kast die strak tegen de muur moet, staat er door de plint een tot twee centimeter vanaf, en bij een kast van twee meter hoog scheelt dat merkbaar in de stand. De tweede is de vloer. Een houten vloer die meeveert, of een dik tapijt, maakt dat een hoge smalle kast gaat wiebelen zodra iemand langsloopt. Stelpootjes lossen het eerste deel op; voor het tweede is een verankering aan de muur de enige echte oplossing.



